Wat als je er nu eens gewoon mee zou stoppen? Je werk, het geregelde leven, datgene waar je goed in bent, datgene wat jou bepaalt. Je moet je leven veranderen, fluistert iets jou in. En je luistert, deze keer wel, omdat je, als in een visioen, ziet wie je had moeten zijn. Dus stop je. Je laat alles vallen, jezelf incluis, in dat zwarte gat.

 

Er is iets fascinerends aan mensen die ‘eruit’ stappen, die ‘ermee’ stoppen. De rat die ontsnapt uit de ratrace, de dromers die hutten bouwen in het bos, de schrijvers die zichzelf in de kantlijn plaatsen. Het zijn verzakers. Wij houden van dat woord, ‘verzaken’: het maakt van iets-niet-doen een daad, tragisch én heroïsch. Het is namelijk buitengewoon moeilijk om niets te doen, in een wereld die teert op hyperactiviteit, waarin je ‘elke kans moet grijpen’, op elke rijdende trein moet springen, en even snel moet trachten te rennen als de wereld voort dendert. Stilstaan in de stroom vergt het vermogen om weerstand te leveren, tegendruk uit te oefenen. Stilstand kan een vorm van opstand zijn. Of is dat slechts het romantische verhaal dat we onszelf vertellen, om onszelf te behoeden voor daadkracht?

 

In The Big Drop-Out stellen we ons de vraag waarom die droom zo verleidelijk is: de hut in het woud, het verlangen naar een eiland, naar afzondering, ver weg van de drukte, de moderniteit en de menigte. Is stoppen een zwaktebod of een verzetsdaad? Kan je een depressie omsmeden tot een bekering, uit een burn-out de vonk slaan om aan Rilkes gebod Du mußt dein Leben ändern gehoor te geven?